Op deze pagina
- Wat betekent een gemiddeld IQ van 100?
- Waarom is 100 dan het gemiddelde, en niet een ander getal?
- Bestaat er wel één universeel gemiddelde?
- Het gemiddelde verschuift ook in de tijd
- Waarom een groepsgemiddelde weinig zegt over een individu
- Verschilt het gemiddelde IQ per onderwijsniveau?
- Wat betekent dit voor jouw eigen IQ-score?
- Veelgestelde vragen over het gemiddelde IQ
- Conclusie
- Bronnen
Je hebt vast weleens gehoord dat het gemiddelde IQ 100 is. Maar wat betekent dat eigenlijk, en klopt het wel dat er zoiets bestaat als hét IQ gemiddelde, voor iedereen, overal? Het antwoord is genuanceerder dan de meeste bronnen laten zien.
Dit artikel legt uit wat het gemiddelde IQ precies inhoudt, waar het getal 100 vandaan komt, en waarom vergelijkingen tussen verschillende groepen methodologisch lastiger zijn dan vaak wordt gedacht.
Het gemiddelde IQ van 100 is een statistische afspraak bij het normeren van tests. Binnen de juiste normgroep is dat een bruikbaar referentiepunt. Vergelijkingen tussen landen, groepen of generaties zijn lastiger, omdat eerst moet worden vastgesteld dat een test overal hetzelfde meet.
Wat betekent een gemiddeld IQ van 100?
Bij de meeste moderne IQ-tests wordt het gemiddelde bij normering vastgesteld op 100, met een standaarddeviatie van 15. Dat betekent dat ongeveer 68 procent van de mensen binnen de genormeerde groep tussen de 85 en 115 scoort.
Deze normering, het IQ-quotiënt zoals we dat nu kennen, werd niet ontwikkeld door Alfred Binet, zoals soms wordt beweerd. Binet ontwikkelde in 1905 samen met Théodore Simon de eerste praktische intelligentietest, die de “mentale leeftijd” van een kind vaststelde. Het was de Duitse psycholoog William Stern die in 1912 voorstelde om deze mentale leeftijd te delen door de kalenderleeftijd, wat het IQ-quotiënt opleverde. Psycholoog Lewis Terman vermenigvuldigde deze verhouding later met honderd, wat de vertrouwde driecijferige IQ-score opleverde.
Voor volwassenen bleek deze verhouding echter niet goed te werken, omdat mentale leeftijd ophoudt te stijgen terwijl kalenderleeftijd wel doorgaat. Psycholoog David Wechsler loste dit op met het zogeheten deviatie-IQ: scores worden sindsdien direct vastgesteld op basis van hoe iemand scoort ten opzichte van een representatieve steekproef, in plaats van via een leeftijdsquotiënt. Meer over de wiskundige en statistische achtergrond van deze normering lees je in ons artikel over de normaalverdeling van IQ.
Waarom is 100 dan het gemiddelde, en niet een ander getal?
Het getal 100 is geen natuurwet, maar een praktische, bewuste keuze. Testmakers kiezen ervoor om de genormeerde groep gemiddeld op 100 uit te laten komen, simpelweg omdat dit een handig, rond referentiepunt is. Net zo goed had het gemiddelde op 500 of op 10 gezet kunnen worden; de onderliggende verdeling van scores zou daardoor niet veranderen.
Dit betekent dat een IQ-score altijd relatief is: hij zegt iets over hoe iemand scoort ten opzichte van de groep waarmee vergeleken wordt, niet over een absolute hoeveelheid “intelligentie”. En dat brengt ons bij de kern van dit artikel.
Bestaat er wel één universeel gemiddelde?
Hier zit de belangrijkste, en meest over het hoofd geziene, nuance rond het IQ gemiddelde.
Onderzoekers Jelte Wicherts en Conor Dolan onderzochten wat er nodig is om IQ-scores tussen verschillende groepen eerlijk te kunnen vergelijken. Hun conclusie: dat vereist wat in de psychometrie “meetinvariantie” heet, het bewijs dat een test in beide groepen daadwerkelijk hetzelfde onderliggende vermogen meet. Zonder meetinvariantie kunnen scores in verschillende groepen niet zonder meer als metingen van exact hetzelfde onderliggende vermogen worden geïnterpreteerd. Een verschil in gemiddelde score kan dan evengoed een verschil in wat er gemeten wordt weerspiegelen, in plaats van een verschil in het achterliggende vermogen zelf.
Dit is precies waarom de vraag “bestaat er wel één IQ-gemiddelde” geen retorische vraag is. Een test die in Nederland is genormeerd op een Nederlandse steekproef, meet niet vanzelfsprekend hetzelfde bij een andere populatie, met een andere taal, onderwijsachtergrond of cultuur. Vergelijkingen tussen groepen die deze meetinvariantie niet expliciet hebben getoetst, verdienen om die reden extra voorzichtigheid.
Het gemiddelde verschuift ook in de tijd
Naast verschillen tussen groepen op hetzelfde moment, verandert het gemiddelde ook binnen dezelfde groep in de tijd. Testscores zijn in de loop van de twintigste eeuw in veel landen gestegen, een fenomeen dat bekendstaat als het Flynn-effect. Testmakers normeren daarom periodiek opnieuw, zodat het gemiddelde steeds weer op 100 wordt gezet voor de actuele generatie. Meer over hoe dit specifiek voor Nederland heeft uitgepakt, lees je in ons artikel over het gemiddelde IQ in Nederland.
Waarom een groepsgemiddelde weinig zegt over een individu
Onderzoekers Richard Nisbett en collega’s brachten in een uitgebreide overzichtsstudie de wetenschap rond intelligentie samen. Zij benadrukten dat verschillen tussen individuen binnen een groep doorgaans aanzienlijk zijn en dat omgevingsomstandigheden mede samenhangen met cognitieve ontwikkeling.
Sommige Amerikaanse studies suggereren dat sociaaleconomische omstandigheden invloed hebben op de mate waarin genetische verschillen samenhangen met IQ-verschillen. Onderzoekers Elliot Tucker-Drob en Timothy Bates onderzochten dit patroon echter over meerdere landen, en vonden het niet consequent buiten de Verenigde Staten terug. In studies uit West-Europa en Australië was dit effect aanzienlijk zwakker of afwezig. Verschillen in onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen worden als mogelijke verklaringen genoemd, maar het onderzoek toont niet aan welke maatschappelijke factoren hiervoor precies verantwoordelijk zijn.
Dit relativeert het idee van een vast, onveranderlijk “groepsgemiddelde” verder: verschillen in gemiddelde scores tussen groepen kunnen mede samenhangen met veranderlijke omgevingsfactoren, en die samenhang verschilt bovendien per land.
Verschilt het gemiddelde IQ per onderwijsniveau?
Een veelgestelde, verwante vraag: hoort er bij havo, vwo of universiteit een vast IQ-gemiddelde? Populaire bronnen presenteren dit vaak als een simpele drempelwaarde, maar de werkelijkheid is genuanceerder.
Onderzoekers Ian Deary en collega’s volgden ruim zeventigduizend Engelse kinderen gedurende vijf jaar, en vonden een sterk verband tussen intelligentie op elfjarige leeftijd en onderwijsprestaties op zestienjarige leeftijd: een correlatie van 0,81. Cognitieve capaciteit hangt dus wel degelijk sterk samen met op welk niveau iemand terechtkomt.
Dit verband is echter geen eenrichtingsverkeer. Onderzoekers Stuart Ritchie en Elliot Tucker-Drob brachten in een meta-analyse van meerdere quasi-experimentele studies bewijs samen dat onderwijs zelf het IQ verhoogt, met naar schatting één tot vijf punten per extra jaar onderwijs. Kinderen met een hoger IQ komen dus niet alleen vaker op een hoger niveau terecht. Dat hogere niveau lijkt op zijn beurt ook weer bij te dragen aan verdere cognitieve ontwikkeling. Een vast “IQ-gemiddelde per schoolniveau” bestaat dus niet als een statische drempelwaarde, maar eerder als een wisselwerking die zich over jaren heen opbouwt.
Wat betekent dit voor jouw eigen IQ-score?
Benieuwd naar je prestaties op verschillende soorten IQ-opgaven?
Een online IQ-test geeft een eerste indicatie van je cognitieve sterke punten.
Wil je weten hoe IQ zich verhoudt tot andere vormen van intelligentie, zoals emotionele vaardigheden? Lees dan ons artikel over het verband tussen IQ en EQ.
Veelgestelde vragen over het gemiddelde IQ
De meest gestelde vragen, kort en helder beantwoord.
Bij de meeste moderne tests is het gemiddelde per definitie vastgesteld op 100, met een standaarddeviatie van 15.
William Stern introduceerde in 1912 het intelligentiequotiënt. Lewis Terman vermenigvuldigde deze verhouding later met honderd. David Wechsler ontwikkelde vervolgens het deviatie-IQ, waarbij scores worden vergeleken met een normgroep met een gemiddelde van 100.
Dit is een praktische, bewuste keuze van testmakers, geen natuurwet. Elk ander rond getal had net zo goed als referentiepunt kunnen dienen.
Dat is methodologisch lastig vast te stellen. Om gemiddelden tussen groepen eerlijk te vergelijken, moet een test aantoonbaar hetzelfde meten in beide groepen, wat “meetinvariantie” wordt genoemd. Die voorwaarde wordt bij internationale vergelijkingen niet altijd getoetst.
Ja. Testscores zijn in veel landen door de tijd heen gestegen, bekend als het Flynn-effect. Testmakers normeren daarom periodiek opnieuw naar een gemiddelde van 100.
We helpen je graag verder. Neem contact met ons op of laat een reactie achter bij dit artikel.
Conclusie
Het IQ gemiddelde van 100 is een bewuste, statistische keuze, geen natuurlijk gegeven. Binnen een goed genormeerde groep is dit een bruikbaar referentiepunt. Zodra je verschillen in gemiddelde scores tussen groepen, landen of tijdsperioden wilt vergelijken, wordt het ingewikkelder: dat vereist meetinvariantie, het bewijs dat een test daadwerkelijk hetzelfde meet in beide groepen, een voorwaarde die in de praktijk niet altijd wordt getoetst.
De meest eerlijke conclusie is daarom dat er niet één simpel, universeel IQ-gemiddelde bestaat dat moeiteloos overal en altijd geldt. Wat wél bestaat, is een zorgvuldig genormeerde schaal die binnen de juiste context, en met de juiste voorzichtigheid, waardevolle informatie kan geven.
Bronnen
- Deary, I. J., Strand, S., Smith, P., & Fernandes, C. (2007). Intelligence and educational achievement. Intelligence, 35(1), 13–21.
- Nisbett, R. E., Aronson, J., Blair, C., Dickens, W., Flynn, J., Halpern, D. F., & Turkheimer, E. (2012). Intelligence: New findings and theoretical developments. American Psychologist, 67(2), 130–159. https://doi.org/10.1037/a0026699
- Pietschnig, J., & Voracek, M. (2015). One century of global IQ gains: A formal meta-analysis of the Flynn effect (1909–2013). Perspectives on Psychological Science, 10(3), 282–306. https://doi.org/10.1177/1745691615577701
- Ritchie, S. J., & Tucker-Drob, E. M. (2018). How much does education improve intelligence? A meta-analysis. Psychological Science, 29(8), 1358–1369.
- Stern, W. (1912). Die psychologischen Methoden der Intelligenzprüfung und deren Anwendung an Schulkindern. Barth.
- Tucker-Drob, E. M., & Bates, T. C. (2016). Large cross-national differences in gene × socioeconomic status interaction on intelligence. Psychological Science, 27(2), 138–149. https://doi.org/10.1177/0956797615612727
- Wechsler, D. (1939). The Measurement of Adult Intelligence. Williams & Wilkins.
- Wicherts, J. M., & Dolan, C. V. (2010). Measurement invariance in confirmatory factor analysis: An illustration using IQ test performance of minorities. Educational Measurement: Issues and Practice, 29(3), 39–47. https://doi.org/10.1111/j.1745-3992.2010.00182.x
Reacties worden vóór publicatie gecontroleerd op respect, relevantie en veiligheid.